Alle artikelen10 mei 20262 min leestijd

De winkelvloer als ontwerpkamer.

Drie observaties uit decennia van retailer-bezoeken: waarom productontwikkeling in de winkel zelf doelmatiger werkt dan op de tekentafel.

  • design
  • retail
Orange King

Het beste moment om te ontwerpen voor een textielcollectie is niet aan een tekentafel in Amsterdam. Het is op een dinsdagochtend in een winkel ergens in Limburg, tussen tien en twaalf, terwijl een eigenaar uitlegt waarom dat ene kleurway uit de vorige collectie blijft staan.

Drie observaties uit decennia van retailer-bezoeken:

De winkelvloer ziet wat de inkoopbeurs verbergt. Een product dat het op een stand goed doet — vol licht, mooie staging, eindeloos veel SKU's naast elkaar — kan in een winkel doodvallen omdat het te subtiel is. Een product dat op de stand verloren leek, kan ineens werken in een hoek met natuurlijk licht naast een eikenhouten meubel. Beurs en winkel zijn andere ruimtes.

Eindgebruikers vertellen niet wat ze willen. Ze vertellen wat ze missen. Dat is een belangrijk verschil. Ik wil een mand is bruikbaar. Ik kan er geen vinden in de juiste maat met een ritsbare hoes is goud. Het tweede komt pas naar boven als de retailer doorvraagt, en als het product al ergens halverwege bestaat.

Iteratie werkt sneller dan onderzoek. Een prototype dat zes weken in vier winkels ligt, levert meer informatie dan zes maanden consumentenpanels. Welk model wordt opgepakt? Welk niet? Welke vraag krijgt de verkoper het vaakst? Dat soort signalen zijn niet samen te vatten in een rapport, maar wel door te voelen.

Het maakt design minder romantisch — er is geen moment van inspiratie — en doelmatiger. Wat overblijft is een product dat in de winkel zelf zijn vorm heeft gekregen.